Brief van P. Generaal
8 december 2000
AAN HEEL DE SOCIËTEIT
Dierbare paters en broeders, de vrede van Christus!
Loyola 2000 behoort al wel tot het verleden, maar vader Ignatius heeft ons geleerd hoe belangrijk het is het verleden "in herinnering te roepen" door elke keer "enkele meer belangrijke punten te noteren waar men enig begrip, vertroosting of troosteloosheid heeft gevoeld" [G.O. 118]. Deze bijeenkomst van alle hogere oversten van de Sociëteit, 118 in totaal, plus nog 12 raadslieden van de Generaal, was in de eerste plaats een echte ontmoeting van vrienden in dezelfde zending van de Heer. De provinciale en regionale oversten, de moderatoren en de raadslieden hebben elkaar kunnen ontmoeten en met elkaar kunnen praten, elkaar deelgenoot kunnen maken van de vreugden en de last van de hun toevertrouwde opdracht en kunnen zoeken hoe ze elkaar nog meer kunnen helpen. Deze bijeenkomst was niet samengeroepen om wetten uit te vaardigen of om beslissingen te nemen. Maar ze heeft ten zeerste het besef bevorderd dat onze werkzaamheid die is van een universeel apostolisch corps en dat we als corps geconfronteerd worden met de uitdagingen van de Kerk des Heren, die op zoek is naar gemeenschap in Gods Geest in een wereld die de weg van de "globalisering" gaat. De naties ontdekken immers meer en meer hun wederzijdse afhankelijkheid en elk volk speelt nu zijn rol op het toneel van de hele wereld, welke ook zijn religieuze, culturele, nationale of taalkundige grenzen zijn.
De ervaring van Loyola 2000 heeft bewezen dat de rijkdom die de Heer ons in handen heeft gegeven, er alleen bij kan verliezen, als men zich inkapselt binnen een provincie of zich opsluit binnen een assistentie, in de veronderstelling dat dit nog zou kunnen. De Heer heeft zijn Sociëteit immers gebouwd op een groep mannen die een internationaal gezelschap vormden en zorg voelden voor alle kerken, "het oog gericht op het hele oppervlak en de omtrek van heel de aarde" [G.O. 108], in een beleving van de gehoorzaamheid die hen klaar deed staan om overal heen te gaan waar de Heer van de wijngaard hen riep, en tegelijk in een liefdevolle zorg [G.O. 184] om zich te verwortelen in dat deel van de wijngaard dat de roeping en uitverkiezing door de Heer ons toevertrouwt. Dat besef van een apostolische medeverantwoordelijkheid die het geheel van de universele Sociëteit omspant, is niet zo maar een noodoplossing waarmee men zich goedschiks kwaadschiks tevreden stelt bij gebrek aan menselijk potentieel en aan financiële middelen. Het is veel meer een eigenheid van onze apostolische dienst zonder welke er geen sprake meer is van de Sociëteit van Jezus. De kostbare vrucht van Loyola 2000 is deze bewustwording van hetgeen tot de wezenskern van de Sociëteit behoort en deze groei in solidariteit met elkaar, in wederzijdse openheid en in bereidheid om samen te werken als dienaars van éénzelfde zending van Christus, waarvoor wij samen verantwoordelijk zijn. In deze zin heeft de bijeenkomst in Loyola haar doel meer dan bereikt.
Een oproep tot solidariteit en tot overstijging van onze particularismen.
Eén van de deelnemers heeft klaar uitgedrukt wat allen hebben gevoeld, toen hij schreef: "Bij het spreken en delen met elkaar in Loyola hebben we samen een appèl gehoord tot solidariteit en tot overstijging van onze particularismen. Ik heb het gevoel dat we overgegaan zijn van een zendingsuniversaliteit die haast uitsluitend neerdaalde van pater Generaal en van het centrale bestuur van de Sociëteit, naar een universaliteit waarin elke provincie als taak heeft te zoeken naar een leven voor de grotere dienst. Het is nog wel zo dat de afbakening van provincies, assistenties, conferenties van provinciaals het domein is van pater Generaal: hij is de man die aan deze of gene provincie universele zendingen toevertrouwt. Hij waarborgt de eenheid. Ook is het zo dat de provincies elkaar altijd geholpen hebben. Maar nu moeten de provincies en alle jezuïeten doordrongen zijn van een veel intensere zorg voor de universele zending en van de besliste wil om nabije zaken op te geven, om beter van dienst te zijn verderop. Dat we geen besluiten uit te vaardigen hadden, heeft bijgedragen tot het bewustwordingsproces dat wij, dit is: de provincies en de regio's, de taak hebben de eenheid van de Sociëteit waar te maken. Het bestuur van een provincie is niet enkel verantwoordelijk voor die provincie en voor de zendingen die pater Generaal aan deze kan toevertrouwen, het is ook verantwoordelijk voor de universele zending van de Sociëteit. Als we nu een beslissing nemen die de eigen provincie betreft, moeten we daarin de zorg integreren voor andere provincies en regio's, voor andere apostolische noden.
Een dergelijke zorg moet meer zijn dan een vrome verzuchting: ze moet evident voor de nodige middelen zorgen om te komen tot concrete verwezenlijkingen, en een praktische aanpak uitwerken. Vanzelfsprekend moeten we onze apostolische horizon eerst verbreden in het kader van de (Assistentie), normaler wijze in de aanvangsfase in de vorm van samenwerking met een paar meer nabije provincies. Daartoe moeten we eerst de bestaande structuren intenser laten functioneren. We moeten de tijd en de middelen vrijmaken om elkaar te leren kennen, om ons te openen voor grotere noden die in een nabuurprovincie zouden bestaan of om samen antwoorden uit te werken die de mogelijkheden van één provincie overstijgen."
Men mag verwachten dat in de geest van Loyola 2000 de banden tussen de provincies en de structuren op het niveau boven dat van de provincies versterkt zullen worden, om het universele karakter van de zending van de Sociëteit te ondersteunen en te verlevendigen. Op dit stuk zijn er in Loyola al een aantal voorstellen gedaan. Ze liggen op dit ogenblik ter studie, opdat in de bijeenkomst van de moderatoren van de conferenties der provinciaals in september 2001 die structuren op het boven-provinciale niveau de bekrachtiging kunnen krijgen die de 34e Algemene Congregatie daarvoor wenselijk achtte (Decreet 21).
Getrouwheid aan de ignatiaanse inspiratie
De deelnemers van de ontmoeting van Loyola 2000 hebben op eigen hand bestaande verbroederingen of andere vormen van wederzijdse hulp kunnen verlevendigen, initiatieven kunnen nemen om met andere assistenties en provincies contacten te knopen en elkaar nieuwe ervaringen kunnen meedelen. Maar daarnaast hebben de hogere oversten ook van gedachte kunnen wisselen over de toestand van de Sociëteit in haar geheel. Doordat de ontmoeting plaats heeft gehad in het land van Ignatius, Xaverius en broeder Garate, was het niet verbazend dat de hogere oversten zich wilden buigen over de vraag naar het apostolische en typisch ignatiaanse gehalte van onze contemplatie-in-de-actie. Zonder zich te laten obsederen door vragen over het getal van de jezuïeten en hun werken, heeft men in Loyola 2000 vóór alles aandacht gehad voor onze godservaring, die beleefd wordt in een mystiek van dienst, voor onze intimiteit met Christus in zijn gedrevenheid om zijn zending te volvoeren en voor onze onderscheiding, beoefend in het gebed in de Geest, die het heelal vervult, "dat we mogen speuren wat zijn allerheiligste wil is en we die volkomen mogen vervullen." In dit openhartige en diep vorsende gewetensonderzoek ging het niet alleen om het bestaan of het overleven van de Sociëteit. Dat hangt hoe dan ook niet af van ons. De stichting van de Sociëteit is niet het werk geweest van menselijk kunnen, van de beraadslaging van de eerste gezellen. En dat geldt evenzeer voor haar voortbestaan, haar groei en haar toekomst (Const.134 en 723). De hamvraag betreft onze trouw aan die gave van de Geest aan de Kerk welke de ignatiaanse inspiratie is. Daarom zal de scheppende energie die we aan de dag zullen leggen om onze contemplatie en onze actie te kleuren met het eigene van de ignatiaanse contemplatie, onze specifieke manier zijn om de gratuïte gave van Christus aan te bieden aan de mannen en vrouwen van onze tijd, aan de hedendaagse culturen en waarden. En dat is zo, omdat God het zo wil.
De ervaring van Loyola 2000 hebben we opgedaan nabij de schemerdonkere, houten kamer waar God zijn hand op Ignatius heeft gelegd, om hem als pelgrimerende boeteling voor te bereiden op de gebeurtenis van La Storta, waar Jezus de pelgrim in zijn dienst zou nemen voor de voortzetting van zijn zending, met de woorden: "Ik wil dat jij ons dient." Dat opent de weg voor een intensifiëring van onze ignatiaanse eigenheid. Want als Sociëteit ten dienste van de Kerk in de wereld hebben we geen andere reden van bestaan dan die. Daarom zet onze trouw aan onze eigenheid ons ertoe aan om uiterst gevoelig te zijn voor hetgeen de Geest ons voorhoudt en suggereert via de apostolische uitdagingen en noodsituaties, via de kreten der armen en via de dorst naar spiritualiteit. Daarom heeft het allen goed gedaan te luisteren naar de hogere oversten van provincies en regio's waar men de indruk heeft geconfronteerd te zijn met hopeloze situaties van ellende en geweld, van vervolging en verdrukking, en waar de Sociëteit reageert met een hoop tegen alle hoop in, met een inzet voor verzoening, voor wederopbouw en voor dialoog en met de verkondiging van een Blijde Boodschap.
Licht en schaduwplekken
Een scheppende getrouwheid sluit ook de weigering in om zich te laten verpletteren door het gewicht van de moeilijkheden en de ontgoochelingen: hoe ernstig men die ook mag nemen, ze mogen onze geestelijke vitaliteit niet verlammen of het gehalte van onze apostolische dienst niet ondermijnen. Loyola 2000 heeft daarom de werkelijkheid van de Sociëteit in de ogen durven zien, een werkelijkheid die vol is van licht én van schaduwplekken. Daarbij heeft ze zich niet laten leiden door een goedkoop optimisme, maar door de overtuiging dat de Heer die ons roept, zo zondig als we zijn, ons nodig gelieft te hebben om het vuur van zijn zending in zijn kerk brandend te houden en aan te wakkeren. Wij van onze kant willen die dienst voortzetten waarmee Ignatius en zijn eerste gezellen een aanvang hebben gemaakt en we willen dat doen met een grotere trouw aan de Constituties en Algemene Congregaties en met de creativiteit die haar bezieling in de eerste plaats zal putten uit een gemeenschappelijke onderscheiding die gevoed wordt door de Geestelijke Oefeningen.
Het afwegen van positieve en negatieve aspecten van het leven van de Sociëteit heeft aan de deelnemers aan Loyola 2000 heel duidelijk onze ontoereikendheid bewust gemaakt. Deze betreft zowel de aanpassing en de bijsturing van ons godgewijde leven in het licht van de geestelijke radicaliteit die de kerk van het concilie van ons verwachtte, als ons antwoord op de apostolische uitstraling die door de laatste Algemene Congregaties is gewekt. Pater Pedro Arrupe had gelijk, toen hij vond dat wij halverwege bleven staan door de schuld van ons "ja ..., maar ...", als perfecte incarnaties van dat tweede soort mensen uit de Geestelijke Oefeningen [154], die Gods uitnodiging aan hen proberen te verzoenen met het verlangen een stukje bezit voor zichzelf achter te houden. Vandaar in heel het godgewijde leven dat verlangen om door te stoten tot aan de grens van onze roeping en zending, als gold het een herstichting. Voor zover het van ons afhangt, is dat geen verlangen om te herhalen of te kopiëren wat Ignatius, de stichter, in zijn eigen tijd tot Gods grotere eer heeft moeten doen, maar om radicaler, uitdrukkelijker, openlijker de bestaansreden van de Sociëteit te beleven, die gelegen is in haar zending. Deze zending willen we vandaag beleven in volkomen getrouwheid aan hetgeen de Geest tot Ignatius zei, in een missionaire creativiteit, met de bedoeling een antwoord te geven op de uitdagingen van de Kerk en van onze menselijke samenleving, op de plaats waar dezelfde Geest ons roept.
Vorming
Loyola 2000 had niet als taak over die creatieve getrouwheid een document op te stellen. Toch is die samenkomst uiterst vruchtbaar geweest voor het leven van de Sociëteit en voor haar bestuur, doordat ze een aantal interessepunten en bezorgdheden onder de aandacht heeft gebracht. Wanneer we kiezen voor creatieve getrouwheid en voor hetgeen die van ons vraagt, moeten we eerst in dankbaarheid terugblikken op het tot heden gepresteerde werk, met de bedoeling de bronnen van onze ignatiaanse inspiratie beter te onderkennen. Dat is de onmisbare voorwaarde om beter de lessen te zien die eruit voortvloeien, om onze eigenheid als Sociëteit van Jezus via onze leden en onze werken correcter en helderder te beleven, ten dienste van de kerk in de wereld. Er is dus een volgehouden inspanning te leveren inzake vertaalwerk, opdat meer jezuïeten en anderen, die daarvoor belangstelling hebben, onze bronnen in hun eigen taal kunnen lezen. Toch moeten we met spijt vaststellen dat nog al te vaak de opgroeiende generaties in de Sociëteit tussen noviciaat en derde jaar geen specifiek ignatiaanse vorming krijgen. Aan die ernstige leemte moet dringend iets gedaan worden, wil een creatieve trouw ook voor de toekomst gewaarborgd zijn.
Nog een ander aspect van de vorming heeft de aandacht van Loyola 2000 gaande gehouden. Ook al heeft de vergadering het doel van onze vorming niet als zodanig behandeld - nl. hoe de gratuïte gave, die Christus is, aan onze moderne culturen aanbieden? - ze heeft zich toch ernstig bezig gehouden met onze bekwaamheid om die zending te vervullen. Vandaar meer dan één punt van zorg aangaande onze vorming. Daarbij gaat het niet alleen over die welke men de eerste vorming noemt, maar ook en vooral over de permanente vorming. Zijn we in staat een bevredigend antwoord te geven op de vragen van allen die op zoek zijn naar een zin in het leven, of om de mensen te helpen, zoals Ignatius het zegde, om tot een persoonlijke ontmoeting te komen met Hem die de oorsprong en het einddoel van hun bestaan is. We moeten de lat hoog leggen, waar het gaat om de eerste en de permanente vorming, want daarvan hangt de kwaliteit van onze apostolische dienst af. De reeks documenten over de vorming van de Sociëteit zal dus aangevuld worden met een tekst over de permanente vorming. En we mogen niet vergeten dat daartoe behoren: de provinciedagen, de vergaderingen van de plaatselijke oversten met de provinciaal, de assistentie-bijeenkomsten en al die groepen die ertoe kunnen bijdragen om de culturen waarin we leven en werken, beter te leren kennen, en om te vinden hoe we kunnen ingaan op de telkens nieuwe en steeds complexere noden van de mannen en vrouwen van onze tijd. Daar ligt een heel bijzondere verantwoordelijkheid bij hen die met de vorming belast zijn. Ze moeten daarbij kunnen rekenen op de steun van de hele Sociëteit, die aan hun toewijding en hun bekwaamheid veel verschuldigd is.
Rekenschap van geweten en jaarlijkse retraite
De zorg om de jezuïeten een volgehouden voorbereiding op hun zending te verzekeren in een groeiende creatieve trouw, heeft Loyola 2000 ook ertoe gebracht de nadruk te leggen op twee elementen die in de traditie van de Sociëteit van beslissend belang zijn: de rekenschap van geweten en de jaarlijkse retraite. Precies met het oog op de zending had Ignatius gewild dat hij die de zending geeft en hij die na het blootleggen van zijn verlangens en zijn inspiraties de zending ontvangt, voor elkaar als een open boek zijn. Op grond van de zending heeft elke jezuïet het recht om met de opdracht die hij krijgt, ook een apostolische oriëntering te krijgen, die de kwaliteit van de uitvoering moet waarborgen. De eerste verantwoordelijkheid van de hogere overste bestaat erin om elk jaar de jezuïet zijn zending te geven of die te wijzigen, overeenkomstig de criteria die Sint Ignatius geformuleerd heeft in de Constituties. In een "gesprek" in ignatiaanse zin - d.i.: gekeerd naar Hem die de Heer van de wijngaard is - wordt die zending gegeven en ontvangen als een dienst aan de zending van Christus. De edelmoedigheid en onthechting aan elke vorm van eigenliefde, die de rekenschap van geweten met het oog op de zending veronderstelt, zoeken jaar na jaar hun voedsel in de Geestelijke Oefeningen. Die herhaling zal nooit ontaarden tot routine, als ze beleefd wordt in creatieve trouw met het oog op het herzien en het ontvangen van de zending. Door zijn uitnodiging om heel onze aandacht te richten op hetgeen we te doen hebben, en zo te verhinderen dat men zich verliest in vreemdsoortige afdwalingen of een zucht naar informatie, leidt Ignatius ons in de stilte binnen. Zo maakt hij ons bekwaam om ons te confronteren met het wezenlijke, luisterend naar de stem van Hem aan wiens zending we onze dienst willen wijden. De trouw aan de ignatiaanse weg van de Geestelijke Oefeningen brengt ons daarheen waar op een creatieve manier elke gezel opnieuw bij Christus geplaatst wordt en in de Geest in staat gesteld en opgeroepen wordt om zijn "keuze" te doen, om hetzelfde te kiezen als Christus en ditzelfde hedentendage te kiezen om zijn zending te vervullen. In plaats van te discussiëren over de verschillende aspecten van onze zending heeft men in Loyola 2000 dan ook de voorkeur eraan gegeven het accent te leggen op de terugkeer naar de ervaring waaraan de Sociëteit haar ontstaan dankt. Deze ervaring kan elkeen ertoe voeren de roeping waar te maken die hij heeft als iemand die zich aan Christus geschonken heeft in de Sociëteit. Zonder die roeping zal elke zending ijdel en onvruchtbaar blijken.
Verlicht door deze twee beslissende momenten, rekenschap van geweten en Geestelijke Oefeningen, tracht Loyola 2000 een woekerend individualisme te overwinnen dat de Sociëteit doet lijken op een lichaam dat niet erg goed ineen steekt en niet zeer beschikbaar is. Net zoals een provincie niet in staat is in elk van haar werken een besef van sociale verantwoordelijkheid te bevorderen, als ze geen enkele vorm van direct sociaal apostolaat bij de armen kan laten zien, blijft ook het bewustzijn van een universele zending en beschikbaarheid een velleïteit, als niet een aantal leden van de provincie zich apostolisch inzetten buiten de provinciegrenzen. Op dit stuk hebben de hogere oversten de noodzaak beklemtoond zich van de apostolische behoeften en noodsituaties in de wereld rekenschap te geven, om zo bepaalde prioriteiten vast te leggen of goed uitgekiende missionaire gebieden af te bakenen.
Rechtvaardigheid
Er volgen nu een paar aspecten van onze sociale zending die in Loyola ter sprake gekomen zijn. Het gaat daarbij over onze apostolische inzet voor het verkondigen van de rechtvaardigheid en het aanklagen van het onrecht, naar het voorbeeld van Johannes-Paulus II in zijn talrijke sociaal-politieke tussenkomsten. Vijfentwintig jaar na de 32e Algemene Congregatie heeft wel de woordkeuze veranderingen ondergaan - de uitdrukking "bevordering van de rechtvaardigheid" was in Loyola niet meer te horen - maar niet de werkelijkheid. De Sociëteit maakt zich bezorgd over haar stilzwijgen of over haar al te grote voorzichtigheid, waar ze de stem had moeten zijn van hen die geen stem hebben, en het begane onrecht van de daken had moeten schreeuwen. Ze is zich bewust van de rol die netwerken kunnen spelen in de bevordering van initiatieven zoals het verlichten van de internationale schuldenlasten, de bestrijding van AIDS, de bescherming van het leefmilieu of van de migranten. Door het inventariseren van het groeiend aantal netwerken die in de Sociëteit ontstaan en waarin onze inzet in de strijd tegen alle vormen van onrechtvaardigheid en ellende vorm krijgt, hopen we het rendement ervan te kunnen verhogen, naar het model van de JRS. Dat ze de vrucht zijn van een universele samenwerking, versterkt nog die hoop. Op dit gebied is voelbaar hoe nodig het is beter op de hoogte te zijn van hetgeen tot stand komt in de assistenties en de provincies, om tot een nog bredere samenwerking aan te sporen.
Niettemin wordt deze zending op het gebied van de rechtvaardigheid in de wereld alleen dan geloofwaardig, als ze in onze communiteiten vergezeld gaat van een getuigenis van soberheid inzake levensstijl, waarmee we tegen de trend van onze cultuur ingaan. De consumptiemaatschappij en een fantastische ontwikkeling van de technologie zetten ons fataal onder druk om onze levens- en werkomstandigheden te verbeteren. Dat voert tot een voelbare en zichtbare verzwakking van ons getuigenis als gezellen van een Meester die geleefd en gepreekt heeft in armoede. De verschillen inzake de sociaal-economische situatie zijn zo groot, dat men op dat stuk geen gedetailleerde richtlijnen kan geven. Maar het is duidelijk dat we terug moeten naar de intuïtie van de 32e Algemene Congregatie, die onze armoede en onze soberheid niet fundeerde op ascetische beschouwingen, hoe geldig die ook zijn, maar op de betekenis van een ware evangelische solidariteit. De Heer geeft ons modellen daarvan, zowel in de barmhartige Samaritaan en diens edelmoedige inzet voor zijn lijdende medemens, als in de weduwe die niet put uit een teveel, maar weggeeft van het levensnoodzakelijke. Op dat gebied valt er nog veel te doen en hebben we nog veel te leren in het spoor van de arm levende Heer. Daarom heeft Loyola 2000 gevraagd dat de Sociëteit de statuten over de armoede herziet die uitgevaardigd zijn in 1976 en vandaag op menig punt achterhaald zijn door de nieuwe sociaal-economische toestanden. Maar er is nog meer.
In gesprekken over het probleem van de planning van het provincie-apostolaat hebben verscheidene deelnemers de nadruk gelegd op de daadwerkelijke hulp die men vinden kan bij vakkennis inzake bedrijfsbeleid of "management". Men werd het wel erover eens dat die werkwijze en die techniek hun bestaansrecht hebben in de planning van een provincie of een assistentie, maar bij de ontmoeting in Loyola 2000 is allen dit ene duidelijk geworden: de Sociëteit is geen bedrijf en, als ze haar zending trouw blijft, kan ze alleen maar, zoals Ignatius het formuleert, verkondigen in armoede. Want de vrijwillig arme Jezus volgen betekent niet alleen maar dat men hem kent, maar ook dat men zich richt naar de wijze waarop hijzelf het goede nieuws verkondigt en naar zijn methodes om zijn opdracht te vervullen. Dat houdt in dat er nooit een evenredigheid zal zijn tussen onze investeringen en de apostolische oogst. De organisatiewetenschappen gelden voor elke menselijke groepering en ze kunnen diensten bewijzen bij onze provincieplanningen, maar de wetten van groei en rendement in onze zending ten dienste van het Rijk Gods zijn van een andere aard dan die van het bedrijfsbeheer, dan de wetten van groei en rendement in de wereld. Alleen reeds te kunnen planten en besproeien betekent bij ons deelnemen aan het kruis van de vrijwillig arme Jezus, met het vooruitzicht dat het kruis van Pasen de vruchtbaarheid daarvan waarborgt. Aanzien en succes, kapitaal en balans, organisatie en planning moeten gedoopt worden in de armoede van Hem die, zo rijk als Hij was, arm geworden is om ons rijk te maken met de enige ware rijkdom, die zijn Vader is.
Dialoog
Tot slot een woord over een aspect van onze zending waarover in Loyola 2000 niet gesproken is, maar daar concreet werd beleefd: de dialoog, waarover de laatste Algemene Congregatie uitgebreid heeft gehandeld. In het beginnende derde millennium zal namelijk de dialoog een veeleisende en aangevochten dimensie van onze zending vormen. De bijeenkomst in Loyola heeft zich afgespeeld in een klimaat van dialoog: elkeen was zich daar de aanwezigheid bewust van de Geest die in de gesprekspartner werkzaam was en daardoor was hij "meer geneigd de mening van de andere te waarderen dan die te veroordelen." [G.O. 22]. Deze geest van dialoog trad ook aan de dag, waar men het met elkander had over de zending, die erin bestaat de Heer, zijn boodschap en zijn waarden kenbaar te maken, zonder ze aan de andere op te dringen. Gastvrijheid en verwelkoming, openheid en verzoening, gemeenschap en partnerschap, deelgenootschap in het zoeken naar het Absolute, zijn elk voor zich de uitdrukkingen van een dialoog waarvan de Heer ons zoveel evangelische voorbeelden gegeven heeft. Dat zoeken naar eenheid van geest en hart binnen de Sociëteit zelf, waarvan de ontmoeting in Loyola getuigde, ondanks een onthutsende verscheidenheid van culturen en talen, van kerkelijk en politiek aanvoelen, is de meest aangewezen weg om zijn leven te wijden aan de eenheid van alle christenen, aan de hereniging van alle zonen en dochters van God onze Vader, waarnaar de Heer met passie en met een liefde tot het uiterste verlangd heeft. Dat verlangen van hem is het dat ons ertoe drijft om deel te nemen aan de oecumenische en interreligieuze dialoog.
Ons rest nog de Heer te danken voor deze ontmoeting in Loyola en onze dank te betuigen aan allen die haar geduldig voorbereid en mogelijk hebben gemaakt, aan hen die haar in hun Baskische provincie welkom hebben geheten en hen die eraan hebben deelgenomen en daar het beste van zichzelf hebben gegeven. Het geschenk van Loyola 2000 is de hernieuwing van het geschenk dat de eerste gezellen bij hun beraadslaging van 1539 dankbaar hebben aangenomen: nos reducere ad unum corpus, de genade ons samen te brengen tot één lichaam, dat God wil dienen en waarvan de Heer zich wil bedienen voor de vervulling van de zending van zijn Zoon.
Broederlijk verbonden in onze Heer
Peter-Hans Kolvenbach s.j.
Generaal-Overste
Rome, 8 december 2000, op het feest van de Onbevlekte Ontvangenis
(De oorspronkelijke taal van deze brief is het Frans. Vertaling: Roger Lenaers sj)
[end]